Al is het nog zo klein, het wil gaarne leven (ode aan mijn oma)

| 25 juni 2017

Blog van Wouter Mennen

Cor Kuyvenhoven

Ik herinner mij nog goed de momenten bij mijn oma thuis. Het zal eind jaren zeventig / begin jaren tachtig zijn geweest. Zittend in “de tobbe”, een grote gietijzeren bak met grote handvaten, waarin ook de handwas werd gedaan, zat ik “te weken” in het koude water dat met emmers werd aangevoerd onder het zingen van psalmen welke luid klonken vanuit haar keukentje. De emmers voelden voor haar zwaar door de reumatiek in haar opgezwollen knie. Ik speelde met een bootje, het stormde op zee. Tuffend ploetert het bootje zich door de golven van handvat tot handvat. De rimpelingen in het water werden golven en de golven werden tot grote hoogten opgestuwd wanneer een emmer in de tobbe werd geleegd. Het schip is met man-en-muis vergaan, verzwolgen.. Het koude water doet pijn aan mijn huid terwijl ik een wesp van mij af probeer te slaan. “Al is het nog zo klein, het wil gaarne leven”, zijn de wijze woorden welke mijn oma toen uitsprak. Geschrokken van mijn daad zie ik haar gerimpelde gezicht nog voor mij. Heerlijk in het zonnetje. De wesp wordt door haar verjaagd, maar haar woorden staan voor altijd in mijn geheugen gegrift…

Ik duik door de kajuit van een vissersschip de St.Luke welke zich bevindt op de Doggersbank op een diepte van ongeveer 35 meter. Het water is hier kraakhelder en ik kan vanuit de kajuit het gehele voorschip overzien. Veel elementen zijn hier nog aanwezig voor navigatie en communicatie met de bemanning en met de vaste wal. Ik stel mij voor hoe de kapitein hier heeft gestaan, uitkijkend naar de mannen welke de netten binnenhalen. De zee is hier rijk aan vis wanneer in 1978 het net wordt binnengehaald. De netten staan bol van de vissen welke glinsteren in de zon. Tevreden glimlacht hij terwijl hij via het kleine deurtje de kajuit binnenkomt en zijn kaplaarzen uitdoet om de kajuit van zijn schip netjes en schoon te houden. Hij kijkt in de lucht naar een grote groep zeemeeuwen en enkele Jan van Genten welke hopen een graantje mee te pikken van de buit welke wordt binnengehaald. De helder blauwe lucht wordt langzaam verdreven door grijzige tinten. Hij werkt hard voor zijn geld en is goed voor zijn bemanning en zijn schip om deze in bedrijf te houden. Hij wordt opgeschrikt vanuit zijn denken wanneer de mannen schreeuwen te stoppen. Vragend schrikt hij op en kijkt naar het net waar naar wordt gewezen. Veel tijd om te handelen heeft hij niet meer wanneer een zeemijn, een erfenis uit de laatste wereldoorlog, aan stuurboordzijde explodeert en het schip doet zinken. Enkele minuten later ligt hij in zee. Het koude water doet pijn aan zijn huid. Hij zal het niet lang hebben volgehouden in dit koude water. Zijn strijd is gestreden, zijn leed is geleden. De blauwe lucht is grijs geworden en het begint langzaam te regenen…

Ik zie een paar kaplaarzen liggen in de kajuit wanneer ik besluit via de voorzijde de kajuit uit te zweven. Al is het nog zo klein, het wil gaarne leven denk ik wanneer ik het rijke leven zie welke zich op dit wrak heeft gevestigd en van dit ooit trotse vissersschip hun huis heeft gemaakt. Op de schoorsteen zit een fraaie Zeeduivel welke zich niet van zijn unieke plekje laat verjagen wanneer de filmers en fotografen deze op de gevoelige plaat proberen vast te leggen. Op het voorschip zijn ook twee Zeewolven gevestigd welke je chagrijnig aankijken vanuit hun schuilplaats dat zal worden verdedigd mocht je ze willen storen. Het vissersschip is geworden tot een wrak maar is ook verworden tot een biotoop waarop allerlei leven zich heeft gevestigd van groot tot zeer klein. Het is maar een klein wrakje op een grote Doggersbank in een zeer grote Noordzee welke uitmondt in een immens grote oceaan, maar dit alles is wel met elkaar verbonden. Ik struin de bodem verder af  op zoek naar netten en afval dat door menselijk handelen is achtergelaten door onachtzaamheid, onwetendheid, onverschilligheid of natuurlijk door een ongelukkig vastraken van de netten van een vissersschip aan wrakdelen in deze grote tobbe welke de Noordzee wordt genoemd. Achtergelaten en uit het oog verloren doen deze netten nog steeds hun werk. Veel diersoorten raken hierin verstrikt, van groot tot klein. Vanuit de kajuit zag ik al een stuk afgescheurd visnet hangen welke ik besluit te gaan bergen. Ik bevrijd een grote Noordzeekrab welke is vastgeraakt in het net. Ze houdt een groot aantal eitjes onder haar schild veilig tussen haar poten. Uiteraard probeert ze zich te verzetten door haar scharen dreigend naar mij op te heffen, maar ik ben niet uit op krabbepoten en probeer haar slechts de vrijheid terug te geven.

Ik kijk altijd graag mee naar wat er allemaal aan rommel aan boord wordt gebracht en wanneer de biologen zich buigen over alles wat zich in de netten nog aan leven bevindt. Een klein zeeslakje wordt door Floor op haar vingertop gezet en vluchtig bekeken. Deze is interessant zie ik haar denken en het diertje wordt in een buisje gestopt om het later te kunnen onderzoeken. Al is het nog zo klein, het wil gaarne leven denk ik wanneer ik enkele mossels teruggooi in zee en wanneer ik een krabbetje probeer te vangen welke zich zelfstandig uit de netten heeft weten te worstelen en zich probeert te verschuilen tussen enkele duikcilinders op het dek.

De woorden van mijn oma heb ik vaak overdacht. De essentie van deze woorden, een fraaie one-liner, zijn denk ik om met eerbied om te gaan met het leven. Het kleine niet uit het oog te verliezen aangezien het ook onderdeel is van het grotere geheel. Het leven op aarde is het waard om beschermd te worden en om verantwoord mee om te gaan ook al kan het je soms steken..

Comments are closed.